Maanden geleden is het plan geboren naar Java te gaan. Waarom? Eigenlijk heel decadent. Het leek ons de aantrekkelijkste van de vele opties die de weken daarvoor de revue gepasseerd waren waaronder exotische plaatsen als Chili en Mali. Mij trok Java niet in de laatste plaats vanwege de Borobudur. Als kind droomde ik er van om op ontdekkingsreis te gaan door de ondoordringbare tropische oerwouden op zoek naar oude verloren plaatsen als Ankhor Wat en de Borobudur. Een boek over verloren beschavingen dat in de zeventiger jaren de ronde deed heeft dat vlammetje flink opgestookt.
De link met de historie van Magnolia kwam niet lang daarna boven. Ik moet bekennen dat het nooit eerder bij me opgekomen is de roots van mijn familie te onderzoeken. Afgezien dan van die ene keer dat ik in de kerkelijke archieven gedoken ben naar de stamboom van de Heijboers in Zeeland. Eigenlijk heb ik het helemaal niet zo met familie. Niet dat het onaardige mensen zijn, helemaal niet. Maar ik heb niet zoveel met die automatische relatie tussen mensen omdat ze familie zijn. Toch is na de beslissing naar Java te gaan een lawine van emoties over mij gekomen naar aanleiding van onderzoek naar het wel en wee van de Heijboers.
Eerst de geschiedenis van elf generaties die teruggaat tot op 1 januari 1600 stamvader Willem Matteussen Heijboer in het Zeeuwse Sint Maartensdijk wordt geboren. Het verbaast me dat het slechts elf generaties zijn. Zo weinig en toch zo lang geleden. In wat voor wereld hebben mijn voorouders geleefd? Hoe is hun leven verlopen? Ik lees me suf en kom veel tegen wat me ooit op school geleerd is over de Nederlandse geschiedenis. Een abstracte geschiedenisles die nu opeens raakvlakken begint te vertonen met mijn eigen geschiedenis. Het zal toch niet waar zijn dat ik zelf ook onderdeel ben van de altijd voortkabbelende geschiedenis?
Ben ik niet geboren in Amsterdam? Die stad die net als veel steden in Holland en Zeeland veel van hun rijkdom te danken hebben aan de door Balkenende bejubelde VOC. Maar zoals altijd gaat rijkdom voor de een gepaard met armoede voor een ander. De VOC heeft wel erg veel overeenkomsten met Enron en Ahold: een multinational waarvan de directie denkt in termen van korte termijn winsten en shareholders value. Een bedrijf ook dat dankzij haar uitgebreide bevoegdheden vele geroemde veroveringen mocht verrichten, een eufemisme voor oorlog en enorme slachtpartijen. En als de VOC dan na 100 jaar roemloos ten onder gaat aan zijn eigen hebzucht, neemt de Nederlandse regering het stokje net zo makkelijk over en zet in 1830 de toon met de het invoering van dwangculturen. De inheemse bevolking wordt verplicht tot de helft van hun land te gebruiken voor de teelt van die gewassen die voor Nederland het meest lucratief zijn. Dat er mede hierdoor hongersnoden uitbreken wordt bewust op de koop toegenomen. Pas als de onrust onder de bevolking zo groot wordt dat de winstgevendheid van de ondernemingen in gevaar komt, wordt in 1860 het systeem van dwangculturen afgeschaft en de landbouw geliberaliseerd. Veel zal het allemaal niet meer helpen. Het zaad voor de onafwendbare onafhankelijkheidstrijd is gezaaid.
Als het begin van het einde nadert, tref ik Bram Heijboer aan, de vader van Roel en Magnolia, en daarmee mijn eigen grootvader. Een Zeeuwse jongen die al jong naar Indië is getrokken. Hij staat trots op oude foto’s uit 1912 als 23 jarige tussen zijn collega’s op de rubber- en koffieplantage Kali Kempit in Oost-Java. Wat bezielde hem dit leven aan te gaan? Waarom is hij uit Zeeland vertrokken? Wat hoopte hij in Indië te vinden? Wat zijn dromen ook waren, hij moet een slimme vent zijn geweest. Hij weet in ongekend tempo op te klimmen naar de functie van administrateur en is korte tijd zelfs inspecteur op Sumatra geweest. Het moeten overigens geen makkelijke tijden geweest zijn. Wie de foto’s bekijkt ziet de zorgen op zijn gezicht met de jaren toenemen. Zijn eerste vrouw is een jaar na het huwelijk al overleden. Om wat van die zorgen te kunnen begrijpen probeer ik te achterhalen wat er zoal speelde op een plantage. Heren van de thee van Hella Haasse geeft een fraai kijkje in het moeizame bestaan van de planters. De grillen van de natuur, de kwetsbaarheid voor allerlei exotische ziektes, de culturele verschillen met de lokale bevolking en hun leiders en niet in de laatste plaats de vaak contraproductieve ingrepen van het Nederlandse gouvernement hadden allemaal invloed op het werk in de tuinen.
De gids die ons de onderneming Kali Kempit en de omgeving laat zien is zelf werkzaam geweest op verschillende plantages. Geboren in 1935 heeft hij getennist op Kali Kempit en zijn eerste vrouw op het Sportpark leren kennen. Na de oorlog zijn het vrijwel allemaal staatsondernemingen geworden, die op vrijwel dezelfde voet verder boerden. Hij heeft dezelfde functies bekleed als Bram Heijboer en kan het beeld bevestigen van een moeizaam bestaan met vele externe invloeden. We zien het ook nu nog met eigen ogen. De moesson is laat en de meeste gewassen staan er slecht bij. De markten veranderen en de eens zo uitgebreide velden met rubber zijn op Kali Kempit geheel verdwenen en vervangen door cacao dat nu meer opbrengt. Arbeid is ook nu nog een lastige factor. Het huisvesten van de medewerkers in een kampong op de eigen plantage is te duur geworden. Daarom zij de overgegaan tot seizoensarbeid en worden veel arbeiders dagelijks met bussen naar de ondernemingen gependeld.
Terug naar de jaren dertig. De crises in Europa maakt het er niet makkelijker op. Het moet bepaald geen idylle zijn geweest. En dus kan de oorlog ook geen einde hebben gemaakt aan welk idyllisch sprookje dan ook. Maar een eind is een eind. En natuurlijk doet dat pijn. Vooral voor kinderen zoals Magnolia die hun sprookjeswereld ruw verstoord zien worden. Als kind moet Indië een paradijs voor haar zijn geweest.
Zoveel als mij op school verteld is over de oorlog in Europa zoweinig blijk ik eigenlijk te weten van de gevolgen in Indië. Hoewel het onderwerp niet taboe was, is er thuis niet veel over gesproken. Misschien wilde ik het ook niet weten. Heb ik er wel eens naar gevraagd? Nu is dat wel anders. Wat is er met dat gezinnetje uit Kali Kempit gebeurd? Hoe is grootvader aan zijn einde gekomen? Wat hielden de jappenkampen eigenlijk in? Alweer lees ik me suf. De bibliotheek blijkt vol te staan van verhalen over de kampen. Vooral over het kamp waar grootmoeder Hans heeft gezeten. En dat zijn bepaald geen prettige verhalen. Ook Magnolia’s verhaal dat werd opgetekend voor de aanvraag van een uitkering is geen leuke kost. Drie jaar Japanse terreur, het gebrek aan gezondheidszorg en de laatste maanden pure ondervoeding moeten een hel zijn geweest. En dan de zorgen nog die Hans zich gemaakt moet hebben over het onbekende lot van haar kinderen. En wist ze al dat in 1943 haar man Bram ter dood gebracht was?
Waarom hadden de Japanners Bram eruit gepikt? En waarom hebben de Japanners in Indië de vrouwen en kinderen geïnterneerd, terwijl ze dat in andere landen niet deden?
Een buurvrouw aan de overkant van ons huisje op Oost-Java komt aanlopen met een boek over de laatste dagen van Nederlandse Indië. Daar staat ook de naam Heijboer in. Het hele verhaal over de toedracht van Bram’s arrestatie staat beschreven als de Eerste plantersaffaire. Angst loopt als rode draad door het verhaal. Angst wel te verstaan van de Japanners voor een invasie op Oost-Java. Angst die door verschillende gebeurtenissen wordt gevoed. In de eerste plaats zijn er verschillende acties die de geallieerde troepen vanuit Australië nemen. Als in 1943 de Japanse kansen op een blijvende overwinning keren, worden ze erg nerveus van geruchten over mogelijke landingen op Oost-Java. Ze sturen zelf speciale mensen naar het gebied om mogelijke spionnen en verzetstrijders op te sporen. Daarnaast hebben ze eerder op tenminste één plantage een verzameling wapens gevonden. Wapens die afkomstig bleken te zijn van het chaotisch terugtrekkend Nederlandse troepen. Troepen die korte tijd onderdak kregen op de plantages. Voorts is er de kwestie van de Landwacht. Veel plantages op Oost-Java hebben in de periode voor de capitulatie een soort orde dienst ingesteld ter bescherming van de ondernemingen. Daartoe droegen deze landwachters ook wapens. De Japanners hebben dat als een paramilitaire verzetsdaad beschouwt. En tenslotte is dan nog mister X: een administrateur van Zwitserse afkomst die heulde met de Japanners. Hij wordt ervan verdacht informatie te hebben verschaft aan de Japanners over een bijeenkomst van verschillende administrateurs in de omgeving van Glenmore. Informatie die het beeld van de Japanners moet hebben bevestigd dat de planters bezig waren met het voorbereiden van allerlei verzetsdaden en als een serieuze bedreiging werden beschouwd. Onze gids wist deze mister X overigens te identificeren als ene Küglin. In die nerveuze dagen zijn er vele honderden mensen opgepakt, waaronder Bram Heijboer en veel andere Europeanen en Indo-europeanen uit de regio. Ze zijn verhoord door de Kentapai, een Japanse counterpart van de Duitse SS. Geen plezierige jongens. Nadat bij 33 van hen een verklaring is afgedwongen, worden ze zonder verdere vorm van proces ter dood veroordeeld. De ten uitvoer legging vindt begin juli 1943 plaats in de bossen bij Mumbulsari, een dorp in de buurt van Jember op Oost-Java. De lijst van 33 omvat Bram Heijboer en zijn drie collega’s van Kali Kempit, maar ook de arts Van Nijk uit Krikilan en de assistent-resident uit Banyuwangi.
Voor de drie leden van het gezin die de oorlog hebben overleefd, moet deze periode hun leven getekend hebben. Is dat waarom grootmoeder Hans zo snel na terugkomst in Nederland is overleden? Is dat waarom er thuis zo weinig over deze zwarte bladzijde werd gesproken? Is dat waarom ik nu hier ben?
Het is mij nu uit eigen ervaring duidelijk geworden wat in het boeddhisme inter-being wordt genoemd. Een begrip dat aangeeft dat alles bestaat uit alles. In een vel papier kun je de zon, aarde en water zien die de bomen liet groeien, de arbeid van de mensen die de bomen hebben gekapt en verwerkt tot papier enzovoort. Nu zie ik de relatie duidelijk gestalte krijgen tussen al die zaken uit het verleden die hebben gemaakt wie ik ben en de wereld waar ik in leef. Erg verwarrend moet ik bekennen. Waar is mijn eigenheid gebleven? Ben ik een onvermijdelijk product van het verleden? Deze reis zal mij nog lang heugen. God behoede me voor de speurtocht naar de roots van de familie Schnek.